Veel kinderopvangorganisaties willen graag inclusief zijn. Maar waar begin je met zo’n ambitie? Monique Zwanenburg is als programmamanager inclusieve kinderopvang al aardig op weg. Ze biedt een kijkje achter de schermen.
Monique werkt bij Kind&co ludens, een grote maatschappelijke kinderopvangorganisatie die verschillende vormen van opvang aanbiedt op tientallen locaties verspreid door heel Midden-Nederland. Ze nam deel aan het pedagogisch practicum over inclusie van het Expertisecentrum Kinderopvang.
Kun je nog iets meer over je achtergrond vertellen?
Monique: ‘Ik ben nu een paar maanden programmamanager inclusieve kinderopvang. Hiervoor had ik verschillende andere functies binnen de kinderopvang, zoals leidinggevende van locaties en later van een ondersteuningsteam. Ik heb ook nog in het speciaal onderwijs gewerkt, in een ziekenhuis en in het bedrijfsleven. En ik ben ooit opgeleid als logopedist. Maar de rode draad is voor mij altijd geweest: de ontwikkeling van mensen – en meestal kinderen.’
Met welk idee zijn jullie dit programma gestart?
‘Als maatschappelijke kinderopvangorganisatie hebben wij een duidelijke visie: elk kind verdient het om zich vanuit eigenheid te ontwikkelen. Maar in de praktijk is dat niet vanzelfsprekend. Kinderen groeien op in uiteenlopende omstandigheden, en die beïnvloeden hun kansen. Het maakt uit waar je wieg staat. Daarnaast leven we in een maatschappij waarin de norm heel belangrijk is. Als je niet aan die norm voldoet, wordt dat direct gelabeld als probleem. Terwijl iedereen zich gewoon ontwikkelt op zijn eigen manier. Wij kunnen dat als kinderopvang ondersteunen.’
Wat is het precies voor programma?
‘Het draait om anders kijken. Naar gedrag, naar wat kinderen nodig hebben, naar onze eigen oordelen. Maar ook naar werkprocessen, naar de manier waarop we samenwerken, naar de competenties van onze medewerkers. Alles kan helpen om de gewenste wereld en de werkelijke wereld zo dicht mogelijk bij elkaar te brengen. Al is dat natuurlijk ontzettend lastig. De echte wereld is altijd weer complexer dan je denkt. Een locatie in een grote stad heeft bijvoorbeeld andere uitdagingen dan een locatie in een klein dorp. Dus doen we ons best om maatwerk te leveren. We proberen eerst iets uit en kijken daarna of we dat breder kunnen uitrollen.’
Heb je voorbeelden?
‘We zijn onlangs een pilot gestart: een VE-coach met focus op inclusie helpt onze professionals anders te kijken naar kinderen en groepsdynamiek. Daarnaast werken we in verschillende gemeentes, samen met het onderwijs, aan peuter/kleutergroepen en verbindingsgroepen. In deze groepen werken professionals uit kinderopvang én onderwijs. Zo geven zij kinderen extra tijd voor een goede start op de basisschool. In weer een andere pilot werken we samen met externe partners bij vragen rondom de ontwikkeling van een kind. Een multidisciplinair team onderzoekt hoe we kind, ouders en professional zo goed mogelijk kunnen ondersteunen – altijd samen met de ouders. Dat klinkt zwaar, zo’n hele delegatie, maar het is juist laagdrempelig. De ene keer denkt het team alleen mee, de andere keer komt er iemand op de groep ter ondersteuning en in weer een ander geval krijgen de ouders thuis extra hulp. Zo creëren we maatwerk.’
Waarom besloot je mee te doen aan ons pedagogisch practicum?
‘Ik probeer altijd nieuwe inzichten op te doen. Sowieso kom ik graag op plekken waar mensen kennis met elkaar delen. Binnen de kinderopvang hebben we nog weleens de neiging om allemaal het wiel opnieuw uit te vinden, terwijl dat helemaal niet nodig is. Dat vind ik zo mooi aan het Expertisecentrum: het draait om verbinding. En ik ben nu natuurlijk extra snel getriggerd als ik iets over inclusie tegenkom.’
Wat is je het meest bijgebleven?
‘Iemand zei tijdens het practicum: we moeten de verschillen vieren. Dat vond ik zo’n ontzettend mooie, positieve zin. We zijn inderdaad allemaal anders, maar dat is juist een feest. Ook de presentatie van sociaal pedagoog Christel Eijkholt was erg goed. Zij liet zien hoe we, vaak onbewust, normen meegeven aan kinderen. Dat blijft toch altijd weer een eye-opener, zelfs als je zoals ik de hele dag met dit onderwerp bezig bent. Ze toonde bijvoorbeeld aan dat wanneer je mensen vraagt om aan een laboratorium te denken, dat velen automatisch een witte man in een witte jas voor zich zien. En ze liet een filmpje zien van kinderen die beroepen hadden getekend: brandweer, arts en piloot. Toen kwamen drie vrouwen binnen die deze functies hadden. De kinderen riepen: hé, jullie hebben je verkleed zoals wij hebben getekend! Ze beseften niet dat dat echt hun werk was. Zo zie je maar hoe snel kinderen op die manier beïnvloed zijn.’
Wat vind je het moeilijkst aan inclusie?
‘Dat het zo’n groot onderwerp is. Dat werkt soms verlammend. Je kunt niet zomaar denken: vanaf nu gaan we inclusief werken. Omdat het overal in terugkomt: van de dagelijkse praktijk op de werkvloer tot de samenwerking met externe partijen. Je moet voorkomen dat je jezelf erin verliest. Iedere kleine stap is een stap in de juiste richting. Daar moet je je echt bewust van zijn.’
Welk inzicht van het practicum kon je meteen toepassen?
‘Een van onze principes luidt: taal doet ertoe. Dat kwam mooi terug tijdens het practicum. Daar werd heel duidelijk gemaakt dat een woord als inclusie voor iedereen iets anders betekent. Terwijl het juist zo belangrijk is om te weten waar je het samen over hebt. Dus moet je eerst dat gesprek voeren: wat bedoelen we nu eigenlijk? Wat me ook beviel, was de nadruk op de praktische toepassing. Je kunt inclusie wel mooi beschrijven in je beleid, maar je moet het ook verwerken in de werkplannen. Dat nemen we zeker mee.’
Als je andere organisaties die aan de slag willen met inclusie een tip mag geven, wat zou je dan zeggen?
‘Kleine stapjes. Inclusie vraagt om een verandering van houding en mindset, dat kan niet van vandaag op morgen. Kijk eerst wat werkt, en doe daar meer van. En durf ook te besluiten dat iets niet werkt, en laat dat los. O, en weet waarvoor je het doet. Verandering is ontzettend moeilijk, daarom is het goed om een helder doel voor ogen te hebben. Ons doel is dat wij een bijdrage willen leveren aan de maatschappij, en dat we ervoor willen zorgen dat kinderen zichzelf kunnen zijn. Als je je dat realiseert, dan vind je vanzelf de energie om er vol voor te gaan.’